Showing posts with label historical communities. Show all posts
Showing posts with label historical communities. Show all posts

Thursday, July 31, 2014

Een Portugeesch-Joodsche Vestiging te Amersfoort op het midden der 17de eeuw.


Door JAC. ZWARTS, Nieuw Israelietisch Weekblad No 17, Vrijdag 17 September 1920.


  Nog steeds bestaat er, sedert Koenen in 1840 zijn bekende, en voor zijn tijd belangrijke studie „geschiedenis der joden in Nederland” schreef, geen meer uitgebreid, met de nieuwste bronnen rekening houdend, goed gedocumenteerd werk over dit onderwerp. We houden nog niet eens aan een bronnenpublicatie, waar de meeste bronnen, die zich in de stedelijke archieven bevinden, vrijwel onbekend zijn.
 
  Inzonderheid omtrent de kleinere Port.-Joodsche [gemeentes die hebben] bestaan, tast men in diepe duisternis, en zij zijn belangrijk, omdat juist de Spaansche en Portugeesche Joden veel tot den economischen bloei in het gouden tijdperk der Republiek hebben bijgedragen en uit Joodsch-historisch oogpunt, waar zij door hun aristocratische afkomst, hun algemeene ontwikkeling, hun stoffelijke welvaart als de voornaamste Joden ter wereld golden. 1)
 
  Zoo vond ik in de Amersfoortsche Vroedschapsresolutiën enkele aanwijzingen, waaruit blijkt, dat de Zuiderzeehandel van Amsterdam op Amersfoort, ook aldaar een tot op heden onbekende vestiging in de 17e eeuw ten gevolg had.

  In Juli 1655 gaven „eenighe portegiesen” het verlangen te kennen zich te Amersfoort metterwoon te mogen vestigen. 2) De vroedschap was het verzoek, zooals meestal, wanneer het Portugeesche Joden betrof, de 17e eeuwsche Regenten van hun rekkelijkhid blijk gaven, gunstig gestemd en had een open oog voor den vooruitgang der goede stad, die door hun vestiging zoude bevorderd worden. En dan moest het gevaar van besmetting wijken, dat van vreemdelingen te duchten was. Haar Rotterdamsche zuster was een veertigtal jaren te voren verder gegaan en had zelfs in 1610 besloten „de cooplieden van de Portugaelsche natie met eenige privilegen ende vrijheden te inviteren binnen de voorseide stede te comen resideren”. 3)

  Het ligt voor de hand, dat deze „portegiesen” van de verlangde vergunning gebruik zullen hebben gemaakt. Het mocht mij echter niet gelukken, in het Notarieel Archief van Amersfoort, berustend in 's Rijks Archieven te Utrecht, eenige nadere bijzonderheden hieromtrent te vinden.

  Zes jaar later, in December 1661, vinden we in de Amersfoortsche Vroedschapsresolutiën, twee Portugeesche Joden, Joseph Pereira, geboortig van Ville Roiael in Portugal, en Emanuel Tor Alto, geboortig in Ville Floor, eveneens in Portugal, die den burgereed naar geexhibeerde attestatie van hun comportement „met gedeckten hoofde volgens de Joodse maniere wel daer toe staende” hadden afgelegt en het burgerschap van Amersfoort hadden verkregen. 4) Van Bemmel zegt omtrent dit „borgerschap” in zijn Beschrijving van Amersfoort 5):
  „De Burgers waren die geenen, welke binnen de stad wonende, aldaar van Burgers geboren waren, of hun Burgerschap gekogt hadden, en dus in allerhande gevallen door den Raad niet alleen verantwoord en voorgestaan, maar tot allerhande gilden, en in den Raad toegelaten wierden, gelijk ook niemand Burger mogten worden, tenzij hij voor vijftig Beyersche gulden Burgen hadde gesteld, dat hij zes jaaren lang met wijf en kinderen binnen de stad komen en metterwoon blijven zoude, ende alle voorlasten afdoen”.

  Weldra zou Joseph Pereira van deze nieuw verworven rechten gebruik moeten maken. De familie Pereira behoort tot de eerste hier ten lande gevestigde Portugeesch-Joodsche familiën en zette hier in nieuwen bloei en luister haar aloude roem voort, vooral in de 18e eeuw 6).

  Isaac da Costa zegt in zijn „Adellijke geslachten onder de Israëlieten” 7) historische gegevens, omtrent dit geslacht, ontleend aan een kolossaal groot folio Ms in rood fluweelen band, den 22en Februari 1535 door den wapenkoning van Joan III van Portugal ten behoeve van den Portugeeschen edelman Graaf Dom Manuel Pereira afgegeven. Het vangt met Ruy (Rodrigo) Pereira o bravo (de dappere) aan en behandelt onderscheidene verwante geslachten, meest uit Koninklijken Portugeeschen bloede. Als Marranos was hun wapens een leliekruis van zilver in keel, als Joden veranderden zij het kruis in een boom, zinspelend op perenboom. Maar dit alles kon de Amersfoortsche inwoners niet gunstig jegens hun nieuwen Joodschen medeburger stemmen, en hun ongenoegen kwam in onderscheiden „insolentiën voor sijn wooninge in scheltwoorden en anders” tot uiting 8).

  Vandaar dat Joseph Pereira uithoofde van zijn gewonnen burgerschap der Regeerders bescherming inriep. De vroede vaderen lieten hun authoriteit gelden en gelastten den Officier de klacht te onderzoeken „en het recht van den hr van den Lande te bewaren”.
  Het economisch belang der Portugeesche Joden strekt zich ook over onderscheidene industriën uit.

  Toen omstreeks 1650 verscheidene Portugeesche Joden zich in Maarssen vestigden en er zich verstoutten den Joodschen godsdienst uit te oefenen, verwekte dit heftige verontwaardiging bij den Kerkeraad der „Gemeinte Jesu Christi”, die door haar requesten van de Utrechtsche Staten gedaan wisten te krijgen, dat de Schout in het najaar van 1653 dit persoonlijk belette. In een tegenrequest van de Portugeesche Joden heet het:
  „hoe dat sy supplianten met intentie van te cultiveren de neeringe en voortganck van handtwercken in de voorsz dorpe bij provisie hadden gestelt een sijdemolen daer mede haer wel vijf en twijntich persoonen van d'lnwoonders zijn geneerende soo oudt, als jongh, verhopen 'tselve getal metter tijt zal vermeerderen en veel grooter worden: waer uyt dan die arme luyden veel beneficie soude connen treeken soo werckluyden alsoock Backers en Brouwers en alle andere Die neeringe Doen: waer Door d'lnwoonders tot maersen met heul. supplianten hadden minnelijcke correspondentie” 8).

  Acht jaar later, in 1662, droeg „sekere portegiese Joode woonende binnen deze Stadt” der Vroedschap mondeling zijn bede voor, om toestemming te erlangen „binnen sijn huijs twee a drije wolle weefgetouwen te mogen aanstellen” 9).

De Vroedschap benoemde een commissie uit haar midden „omde overichheyt van de Draperijen te hooren” en dienaangaande te rapporteeren.

  Het advies is mij onbekend; het verzoek zal wellicht toegestaan zijn. Van Bemmel zegt 10) over de lakendraperiën dat tot ieder winkel, ja tot ieder weefgetouw „ten minsten tusschen de dertig en veertig menschen behoorden”. Vondel zingt in zijn „De Nachtegaal van Amisfort”:

Het Laken-schietspoel ruyscht door d'aangespanne keten.

Zij kemt, en spint, en breid en weeft de Schaapevacht,

Hier wordt den Vreemden, vart den gastvrije Ingezeten

Gewelkomt, slegt en recht, en zonder dwaasepracht.

  Voornamelijk bij den Bloemendaalschen poort Stonden deze „volmolens” tegenover de latere joodsche begraafplaats; hier stond vlak tegenover een vollemolen op 't water, „maar door de Verslapping van 't volle weefgetouw is dezelve Voor lange jaaren af- en weggebrooken” zegt v. Bemmel 11). Dit hoekje grond behoort sinds oude tijden aan de Nederlandsch Israelietisehe gemeente te Amersfoort.
 
  In het smaakvol geschreven feestgeschrift bij de inhuldiging van H. M. de Koningin „Oranjebloesems uit de gedenkbladen van Neerlands Israël” schrijft wijlen Opperrabbijn T. Tal z.g., dat te Amersfoort in 1726 een Portugeesche en in 1727 een Hoogduitsche Synagoge bestond. Het eerste kom ik niet bevestigd vinden. Wel zegt v. Bemmel 13): Zij (de Joden) hilden voortijds (is vóór 1726) hunne vergaderingen tot het plegen van hunnen godsdienst, op twee bijzondere plaatsen, doch hoeft hier niet juist aan Portugeesche Joden te worden gedacht.
 
  Ten slotte vonden we in 1665 in het Notarieel Archief van Notaris Willem Visscher te Amersfoort 14) een machtiging van „Jacob Monsalto jegenwoordich alhier ter stede, mij notaris bekent gemaeckt sijnde out (soo hij verclaerde) omtrent vier en twintich jaren... als een mede Soon ende Erfgenaem van Sa, Moses Morenas Monsalto ende Ghana Moreno Monsalto in haer beijder leven echtel. wonende tot Amsterdam... special omme wijllen naem en van wegen hem compt inder minne of met recht te versoeken innen te vorderen, of ontfangen vande Ed. Heeren weesm.ren der stede Amsterdam voorut soodanig somme van penu: als ter weescaemere aldaer wegens hem compart inde voorsz qualité is berusten” enz.

  Wellicht stonden de vestiging van Portugeesche Joden in Amersfoort in verband met die (volgens Da Costa een Italiaansch-Portugeesche Synaoge) van Nijkerk, waarvan thans nog eenige overblijfselen restten, in de 18e eeuw moet hebben gebloeid en in den loop der vorige eeuw verdween. Haar verleden is mede door het feit, dat er van Nijkerk vóór 1813 geen Notarieele Archieven zijn, nog in de diepste duisternis gehuld. In het oude gedeelte van het zich ontwikkelende Provinciestadje Amersfoort, waar de Muurhuizen zich tegen den Stadswal uitbouwen, ligt de Bloemendaalsche Poort. Waar het oude geboomte zich achter den metersdikken ouden stadsmuur in het diep donkergroen van den ouden stadsgracht weerspiegelt, ligt aan den eenen kant de golvende oude begraafplaats der Joodsche gemeente; aan den anderen kant ligt een klein hoekje met hekwerk afgestut, waarop eenden rustig tusschen het groen broeden. Men wijst het aan als de begraafplaats van de voormalige Portugeesche Joden van Amersfoort.

1) Binnen afzienbaren tijd hoop ik een uitgebreide studie over „de Spaansch-Portugeesch Joodsche nederzetting te Maarssen” in het licht te geven.
2) Bijlage I.
3)J. H. Roos in „Algemeen Ned. Familienblad “1884 no. 26 en E. Italië „Isr. Gemeente” in „Rotterdam in den loop der eeuwen” 2e gedeelte 6e stuk p. 133, R'dam 1910.
4) Bijlage II.
5) Uitrecht 1760, dl. II p. 752-753.
6) Zie uitvoerig mijn in noot 1) aangekondigde studie.
7) De Navorscher, Jrg. 1858, p. 72.
8) Bijlage III.
9) Bijlage IV.
10) Dl. II, p. 780.
11) Hrd., p. 40-41.
12) Amsterdam 1898, p. 78.
13) Dl. I, p. 178.
14) Rijks Archief te Utrecht in d.d. 7 Aug. 1665 (fol. 103).
15) Zie: Moreno „The Jewish Encyclopedia”, New-York—Londen, 1901-1905, vol. IX, p. 15.


BIJLAGE I. Extract uit de Vroedschapsresolutiën der stad Amersfoort, gemeentearchief aldaar in dato 27 juli 1655.

In den Raed bekent gemaeckt sijnde dat eenighe portugiesen haer hebben aengegeven, van dat sij geerne binnen dese Stat metterwoon souden komen hebben 't zelve toegestaen mits dat sij luyden geen persoonen met haer en brengen, die besocht sijn en met eenighe besmettelijcke siekten, ofte oock eenighe meubelen med te brengen, die uijt besmette huijsingen ofte plaetsen gewonenn sijn.
Actum úts.

BIJLAGE II. Extract uit de Vroedschapsresolutiën der Stad Amersfoort, gemeente-archief aldaar in d.d. 2 Decmber 1661.
 
Borger. Joseph Pereira geboortigh van Ville Roiael in Portugael Joode lest gewoont hebbende binnen Amsterdam, en naer geexhibeerde attestatie van sijn comportement, heeft gewonnen de Borgerschap, der Stad Amersfoort, en op luyden den eet met gedeckten hoofde volgens Joodse manier wel staende gedaen.
Actum úts.

Borger. Emanuel For Alto gebortigh van ville floor in Portugaell Joode lest gewoont hebbende binnen Amsterdam, en naer geexhibeerde attestatie van sijn comportement, heeft gewonnen de Borgerschap deser stad Amersfoort, en op huyden den eet niet gedeckten hoofde volgens de Joodse maniere wel daer toe staende gedaan.
Actum úts úpra.

BIJLAGE III. Extract uit de Vroedschapsresolutiën der Stad Amersfoort, gemeente-archief aldaar in d.d. 20 October 1662.

Politie den XX October 1662.
De Regeerders rs. gehoort de Clachte van Joseph Pereira Portugyse Joode, dat heyde insolentien voor sijn wooninge in scheltwoorden en anders gepleeght worden, hebben den heer Officier gelast D. op te informeeren en het recht van den hr. van den Lande te bewaren.
Actum úts.

BIJLAGE IV. Extract uit de Vroedschapsresolutiën der Stad Amersfoort, gemeente-archief aldaar in d.d. 18 Februari 1662.

Politie den XVIIIen februarij 1662.
De Regeerders rs. gehoort het mondelinge versoek van sekere portugiese Joode woonende binnen dese stadt ten eynde hem gepermirteert mocht worden binnen sijn huijs twee adrije wolle weeffgetouwen te mogen aenstellen: hebben goedgevonden te committeren de heeren Borgermrs. off wie van haer Ed. best sall konnen Dacorez nevens Rutgr Ebertzen, Johan Richolt van Ruytenbergh en Johan van Ommeren Schepenen mitsgrs. Claes HendrickzRaad off het meerendeel van heer D: omde overichheijt vande Draperijen te hooren tot het voorsz v.soeck te induceren en een middel dien aangaend huijne vinden.
Actum úts.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uit: De joodsche gemeente van Amersfoort : Gedenkschrift samengest. ter gelegenheid van het 2. eeuwfeest van haar synagoge ; 5487:1727 - 5607:1927 / door Jac. Zwarts
 
De Portugeesche Vestiging.

Keizer Karel V vaardigde to Utrecht in 1546 een plakaat uit, waarbij de Joden „alomme binnen onsen Lande van Utrecht” verdreven werden, voor zoover zij er waren en nieuwe Joodsche vestiging verboden werd.1) Dat dit verbod ook voor Amersfoort gold, blijkt wel uit het antwoord aan de deputatie, die de stad Nijmegen op 3 Februari naar den Keizer te Amersfoort zond, om haar Joden to mogen behouden. De Keizer wees dit verzoek of en de Nijmeegsche Joden trokken toen naar het Kleefsche weg.

Toen de Republiek der Vereenigde Nederlanden zelfstandig was geworden, vestigden zich op het einde der 16de eeuw de aanzienlijke Spaansche en Portugeesche Joden te Amsterdam die er den Joodschen godsdienst vrij konden uitoefenen, nadat zij de bloeddorstige Inquisitie ontvlucht waren. Het waren lieden met hooge Europeesche adellijke titels, van algemeene beschaving, van kunst no wetenschap, met handels- en ondernemingsgeest en voorzien van ruime finantieele middelen.

Evenals in Holland waren zij ook in Amersfoort de pioniers der Joodsche vestiging. Werden zij te Amsterdam in den handel geheel vrijgelaten, van de industrieen was hun de boekdrukkunst, de suikerraffinaderij en de diamantslijperij gelaten; zijde- en lakenweverij was daar het monopolie der gilden.

In Amsterdam bloeide bij haar opkomst de Draperie of lakenbereiding weder op en werd weldra de hoofdnering van Amsterdam. Daar nu wel vier-vijfde van de Spaansche wol naar Nederland ging, terwijl omgekeerd het laken voor een groot deel weer naar het land der merinoschapen terugging,2) was het voor de Spaansche en Portugeesche Joden dus dubbel bezwaarlijk, dat zij én de zijdeindustrie én de lakendraperie in Amsterdam niet vermochten uit te oefenen. Omstreeks 1650 richtten zij daarom een zijdemolen to Maarssen bij Utrecht op, waar zij een 25 tal werklieden brood verschaften. Dit was echter van korten duur, doordat de Vroedschap van Utrecht in 1654 uit concurrentiemotieven, deze nijverheid deed stopzetten. Zij zochten nu Amersfoort op, dat reeds belangrijke lakenfabricage bezat. Op 27 Juli 1655 werd in den Amersfoortschen Raad bekend gemaakt „dat eenighe portugiesen haer hebben aengegeven, can dat sij geerne binnen dese stad metterwoon souden komen.” 3) Hun verzoek werd toegestaan, mits zij geen personen zouden medebrengen, die een besmettelijke ziekte hadden of meubels, die van besmette huizen of steden afkomstig waren.

De eerste Joodsche burger van Amersfoort was dan Joseph Pereira, een voornaam heer en afstammeling van Ruy (Rodrigo) Pereira o bravo (de dappere), verwant aan het voormalige koningshuis van Portugal. Nog bewaart de familie den wapenbrief, den 22en Februari 1535 door den wapenkoning van Jan III ten behoeve van Graaf Dom Manuel Pereira afgegeven; als Joden veranderden zij het kruis in hun wapen in een boom. Joseph Pereira „geboortigh van Ville Roiael in Portugal Joode” en Emanuel de For Alto „geboortigh van Ville Floor in Portugal Joode” beiden „lest gewoond hebbende binnen Amsterdam” verwierven op 2 December 1661 het stadsburgerrecht van Amersfoort 4), waarop zij met gedekten hoofde volgens Joodsche manier den eed aflegden. In het jaar 1663 verwierven weder 3 Portugeesche Joden het Burgerrecht van Amersfoort. Het waren Isaacq a Roijo „gebooren binnen Lisbon in Portugael Joode” (9 Maart), Abraham Nunes de Pas, Amsterdamsch koopman (6 Juli) en Abraham Rodrigues. „geboortig van Mon Santo in Portugal Portugijse Joode Drapier” (23 November). Uit het Informatieboek 5) maken wij nader met de Portugeesche Joden kennis, wanneer zij op Sabbathmiddag op de Wal bij Bloemendaal aan den wandel waren. Zoo zien wij dan weder Pereira met den heer For Alto, dan weder met Mevrouw For Alto op de Sabbathwandeling. In 1663 maken wij op een Sabbathmiddag kennis met „sekere Joode genaemt Benjamin” en „de Joode woonende opt Sant genaemt den Spaenjaert” en Isaacq a Royo onder „eenige Joden”, die over Bloemendaal liepen.

De Portugeezen konden te Amersfoort, dank zij den wijden blik van Regeerders, ongestoord hun bedrijf uitoefenen. De omvang hiervan last zich gissen uit het verzoek van „sekere portegiese Joode woonende binnen deze Stadt” in 1662 om „binnen sijn huijs twee a drije wolle weeffgetouwen te mogen aenstellen” waartoe voor elk weefgetouw, volgens Van Bemmel, ten minste tusschen de dertig en veertig menschen behoorden. lk kan van het personeel slechts Evert can Crouwenhoff noemen, die op 22 September 1663 als 22-jarig „Drapiersgesel werckende bij Salomon de Pas Joode” voorkomt 5) en in 1664 de 23-jarigen „Wolketder" Philips Moijses.

In 1665 vinden wij dan nog to Amersfoort woonachtig de 24-jarige Portugeesche Jood Jacob Monsalto, zoon van den toen to Amsterdam overleden Sr. Moses Morenas Monsalto en Chana Moreno Monsalto. 5)

De volmolens der Drapiers stonden voornamelijk bij de Bloemendaalsche Poort, alwaar de Joodsche Gemeente tegenover de groote begraafplaats nog een oud begraafplaatsje bezit, dat can de Portugeezen zou afkomstig zijn. Inderdaad vond ik er het onderstuk can een zerk op met de letters ת'נ'צ'ב'ה, de afkorting van den gewonen wensch onder een Joodschen zerk voor de ziel van de(n) overledene. Uit de versiering bleek mij, dat de steep liggend bedoeld is, dus van een Portugeesch-Joodsch graf moet zijn en uit de eerste helft der 18e eeuw moet dateeren.

Waar deze op Sabbath middag wandelende Portugeesche Joden hun Synagogedienst hebben gehouden is niet bekend; ik vermoed echter ten huize van Pereira. Ook de Hoogduitsche Joden hielden naderhand synagogediensten to Amersfoort, totdat de Portugeesche met de Hoogduitsch-Joodsche Gemeente in het begin der 18de eeuw samensmolt. Toen werd door alle Amersfoortsche Joden gezamenlijk Synagogedienst gehouden, welke gemeenschap in 1727 het tegenwoordige Bedehuis inwijdde. In 1729 deed echter Dr. Moses de Fortis nog moeite, om ten zijnen huize Synagoge volgens Portugeeschen ritus te houden.6) Salomon Benjamijnsz (Betsoleil ben Benjomin Preizik), Levi Benjaminsz(Leib bar Boroech), Gerrit Zamuels Cohen (Gitrien ben Benjomin Kouhein), Jacob of Beer Symonsz, Baarnd Jacobusz. Harmanus Zamuelz, Aaron Benjaminsz (Aharoun Benjomin) en Ysaack Coenraads „sijnde alle van de Hoogduijtse Joodse Natie, haar binnen dese stad bevindende”, verklaren voor notaris Harderwijk op 30 Maart 1729, dat zij op 22 Maart laatstleden „met de Heer Moses de Fortis Philosophiæ et mediciæ doctor sijnde vande Portugeesche Joodse natie en wonende binnen dese stad, ende dat, door inductie ende persuatie (overreding) van den selven Heer Fortis, seker contract alhier hebben aangegaan,” waarbij zij zich verbonden hebben tegenover Dr. De Fortis „omme in desselfs huijs bij te woonen en te frequenteren, (dikwijls bij te wonen) op de dagen, tijden en uuren daartoe gesteld, den Portugeesche Godsdienst, waar van sijlieden belijdenisse doen.” Nu zij echter „dese saak nader ende met rijpe overleg hebben geexamineert ende overwoogen, ende verders voltomen in haar gemoed sijn overtuigt geworden, dat sij van voorgaande teekening bij de Hoogduijtse Joodse Ouderlingen gedaan (van welke Hoogduijtse ende geensints van de Portugeese Joodse Nasie sij comparanten altoos geweest sijn, ende nog sijn, dienvolgens abusivelijk bij 't voorsz Contract met meergemelde Fortis aangegaen van de Portugeesche Joodse Natie te sijn gemeld worden) niet konnen nogh moogen afgaen.”

Dr. de Fortis had deze arme luiden met klinkende munt betaald en daar hij acht Joden huurde, blijkt wel (daar er 10 voor den dienst noodig zijn) dat hij toen tot de eenigste Portugeesch-Joodsche familie van Amersfoort nog behoorde. Parnassijns der Hoogduitsch-Joodsche Gemeente konden echter geen particuliere Synagoge dulden, daar hun Synagoge, zoo dit voorbeeld nagevolgd zou worden, niet zou kunnen blijven voortbestaan, Het achttal kreeg dus ieder een som van Parnassijns, waarvan Dr. de Fortis moest worden terugbetaald en zij zich vervolgens aan hun contract als lid der Gemeente hadden te houden. Zoo kwam het, dat zij nu verklaarden „vervolgens poeniteren ende berouw hebben” over het contract met den Doctor „dat sij als onnosele menschen ende die saaken niet verstaande” door Dr. de Fortis „waaren geroepen, genodigt, misleijd ende als omgekogt geweest” waartegen zij nu protesteeren en een gerechtelijke insinuatie aan Dr. de Fortis laten doen met de mededeeling, dat zij „niet gesint sijn, op den 18e van de maand April 1729 in sijne huijsinge tot 't oeffenen vande godsdienst haar te laten vinden, maar te sullen blijven continueren in de Kerk en de Gemeente, waar aan sij door voorgaande verbintenis sig hebben geengageert gehad, ende waar van sij alsnu overtuijgt sig niet meer door eenige reden off persuasie willen laten debauchere off int toecomende daar van te laten afftrekken” zooals zij nu „uyt armoede en verlegendheijd van geld” hebben laten doen. Zij laten de 7 guldens en 10 stuivers die Dr. de Fortis ieder had gegeven bij de insinuatie nu weder restitueeren.

Dit is het laatste bericht van een Portugeesch-Joodsche Vestiging te Amersfoort. Alleen hier hebben zij de lakenweverij als industrie kunnen beoefenen. En de groote beteekenis, die deze industrie gehad heeft voor hen, schetst een Portugeesche Jood te Amster-dam in 1770.7) Deze wilde het verval van zijn Portugeesch-Joodsche „Natie” opheffen door het oprichten van een zijdefabriek en een wolspinnerij, waarvan hij dan weder de grootste welvaart verwacht „Dat dit het wederopkomen der doode draperie-nering hier ter stede veroorzaken kon en de armoedige jeugd aan bezigheid en het verdienen hielp.”

1) Zwarts: „De beide 16de eeuwsche lodenreliefs in het Centraal Museum te Utrecht” in het „Oudheidkundig Jaarboek” (April 1925).
2) „Amsterdam in de 17de eeuw.” II Den Haag 1901-1904 Hoofdst. VII: Zwarts: „Portugeesche Joden te Maarsssen en N. Maarsseveen in de 17de eeuw” overdruk uk het Jaarboekje van „Niftarlake” 1922.
3) Zwarts: „Een Portugeesch Joodsche Vestiging te Amersfoort op het midden der 17de eeuw” in het „Nieuw Israël. Weekblad”. van 17 September 1920 Jrg. 56 No. 17 en in het „Ned. Nieuw Biographisch Woordenboek” VI p. 1106.
4) Burgerboek van Amersfoort (Gemeentearchief No. 17).
5) Informatieboek van het Gerecht (No. 407) in het Rijks Archief te Utrecht.
6) Protocol Notaris Johan Harderwijk in het Rijks Archief te Utrecht (No. 1701).
7) „De Vrijdagavond” van 27 Maart 1925 Jrg. I No. 53.




Wednesday, July 30, 2014

De Zoogenaamde Portugeesche Gemeente te Nijkerk, door Dr. D. E. Cohen (Amsterdam)

Uit „Bijdragen en Mededeelingen van het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap in Nederland” 1925
PDF Genootschap Joodse Wetenschap

 Met mijn eigen aantekeningen in rood

 Eenigen tijd geleden deelde de heer D. S. van Zuiden een en ander mede „Over den oorsprong van de voormalige Portugeesche Joodsche gemeente te Nijkerk” 1). Bij een onderzoek naar de oude Joodsche gemeenten in ons land, dat ik voor eenige jaren deed, werd ook mijne belangstelling voor deze gemeente opgewekt. Ik heb toen omtrent hare geschiedenis merkwaardige gegevens kunnen verzamelen, die mij in staat stellen iets meer van den sluier, die Nijkerk's verleden omhult, op te lichten.
  Het is niet bekend, of in de Middeleeuwen, toen er verschillende steden van Gelderland, zooals Nijmegen, Arnhem en Zutphen, Joden woonden, deze ook te Nijkerk gevestigd waren. ln ieder geval is er, nadat Karel V door zijne plakkaten de Joden uit zijne landen verdreven had „op poene te verbeuren bij voirz. Joeden lyf und goedt”, geen spoor meer van hen te vinden.
  Noch in de Resolutieboeken 2) van de Ambtsjonkers van Nijkerk, noch in de oude boeken van het Weeshuis kont eenig bericht voor omtrent de Joden vóór het jaar 1700. Dit neemt echter niet weg, dat ze er toch reeds in het begin der 17e eeuw gewoond hebben. Hun aantal kan zelfs niet onbelangrijk geweest zijn, want in het midden dier eeuw bezaten ze reeds een begraafplaats op Hoogstraten. Dit is de oudste der drie Joodsche begraafplaatsen, welke men thans te Nijkerk vindt. Naar de heer S. Hamburger mij in der tijd mededeelde, zijn, daar grafsteenen gevonden uit de jaren 1650 en 1651. Thans liggen deze steenen waarschijnlijk diep onder den grond, want de pogingen om ze terug te vinden waren vruchteloos.
  Of de eerste Joodsche inwoners van Nijkerk Hoogduitsche, Italiaansche of Portugeesche Joden geweest zijn, is niet met zekerheid vast te stellen, waarschijnijk is echter, dat de eerste vestiging uit Hoogduitsche Joden bestaan heeft. [1]
 De eenige Jood, die voor 1700 met name genoemd wordt, is Jacob de Jode. Deze was vóór 1681 politie agent of zooals het toen heette armen-jager. Het Resolutieboek vermeldt 3) dato 8 Maart 1681 „Nog hebben de Jonckeren geaccordeert, dat Renger Tyzen bij provisie sal worden aengestelt tot Armen Jager, in plaatse van Jacob de Jode.” Hij genoot daarvoor een tractement van honderd gulden.
 Verder worrdt in de Resolutieboeken onder de honderd en vijf en twintig onderteekenaars, ingezetenen van Nijkerk, die 1 Mei 1703 het ambtsbestuur een groote vaart naar zee trachtten te verkrijgen, ook Salomon Levi aangetroffen, waarschijnlijk dezelfde, aan wie in Januari 1708 „het Wesenhuis” verpacht is en die nog in 1733 lombardhouder was.
  Dat op deze lijst slechts één Jood voorkomt, is merkwaardig, en doet vermoeden, dat het aantal Joden, dat omstreeks 1700 te Nijkerk woonde, niet heel groot was. Het is dan ook wel zeker, dat vele Joodsche tabakshandelaren in het midden en in de tweede helft der 17e eeuw uit Nijkerk zijn weggetrokken. Enkelen emigreerden met Wouter van Twiller, directeur der West-Indische Compagnie, en vele andere Nijkerkenaars naar Noord Amerika, waar ze zich op Long-Island grond kochten om tabaksplantages aan te leggen 4) [2] . De meesten echter hebben zich in den omtrek van Nijkerk vooral in het naburige Amersfoort gevestigd. Een van deze was Ezechiël Cohen. In een oorkonde van 15 Maart 1727 verklaren Burgemeesters enz. der stad Amersfoort, dat „Sinjr. Ezechiël Cohen in den jaere 1690 binnen dese stad is komen wonen” enz. Verder, dat hij „van den jaere 1690 en ook al te voren eer alhier woonagtigh was binnen dese stad en naburige steden en plaatsen de coopmanschap van Tabak seer sterk, heeft geexerceert en heden nogh is exerceerende soo dat den requirant bij ons bekend staet voor een van de eerste en principaalste cooplieden in tabak” enz.
  Van deze eerste Joodsche gemeente schijnt dus niet veel overgebleven te zijn.

 Toen op het einde der 17e eeuw en ‘t begin der 18e eeuw de tabaksteelt haar hoogtepunt bereikte, veranderde dit echter. Volgens van Bemmel 4) waren er te Amersfoort in 1636 ongeveer vijftig planters, in 1670 honderd en twintig en in 't begin der 18e eeuw over de twee honderd. Geen wonder, dat zich toen ook te Nijkerk vele nieuwe planters vestigden. Onder hen bevonden zich verschillende Joden van Italiaansche herkomst. Hun aantal nam voortdurend toe, zoodat het toch al niet groote aantal Hoogduitsche Joden spoedig in de minderheid geraakte. Deze sloten zich bij de Italianen, die den Portugeesche ritus in hunne gebeden volgden, aan en hielden met hen tezamen hunne godsdienstige bijeenkomsten. Zoo ontstond deze zoogenaamde Portugeesche gemeente, die echter noch geestelijk noch administratief met de Amsterdamsche Sephardische gemeente in verbinding heeft gestaan. Het tegendeel is juist het geval, bij geschillen onderwierpen ze zich aan de beslissing van het Opperrabbinaat der Hoogduitsche gemeente te Amsterdam 5).
 In dit verband is het ook van belang te weten, dat de familie Italiaander, die deze gemeente stichtte, tot de Hoogduitsche Joden moet gerekend worden.[3] Daarom en ook om de leidende positie, welke zij in de Nijkerksche gemeente innam, komt het mij gewenscht voor een en ander over haar mede te deelen.
  De ltaliaander’s dreven op het einde der 17e eeuw en in de eerste helft der 18de eeuw een grooten tabakshandel. Ze verkochten en verscheepten tabak naar de Noordelijke landen en steden om de Oostzee, hadden groote tabaksvelden en schuren te Nijkerk en Amersfoort en pakhuizen te Amsterdam. Als men de Resolutieboeken uit die dagen naslaat lijkt het wel, of ze met de Cohen's en de van Rees den handel in de inlandsche tabak grootendeels in handen hadden.
 Zooals hun naam aanduidt zijn ze van ltaliaansche herkomst.[4] Hun stamvader Abraham Benjamin was afkomstig uit Venetië. In het Poorterboek van Amsterdam staat hij op 9 Septenber 1670 als tabakspinder ingeschreven. Hij was lid van de Portugeesche gemeente aldaar, bij welke hij bekend stond onder den naam van Abraham Levi Victoria.[5] Niet alleen komen op zijn fraaie grafsteen op Ouderkerk deze bijde namen voor, maar ook is hij uit verschillende notarieele acten gebleken, dat Abraham Italiaander, Abraham Levi Victoria [5] en Abraham Levi van Venetiën dezelfde persoon is. ln een enkele acte wordt hij zelfs een „hoogduyts Joods koopman” genoemd.[6] Waarschijnlijk was hij een dier leden der vóór 1660 bestaan hebbende Italiaansche gemeente te Amsterdam, die zich later gedeeltelijk bij de Portugeesche gemeente hebben aangesloten.[7] Hij was het ook, die met Jacob Abraham Coen in 1667 de Portugeesche Vereeniging Gonen Dal [8] oprichtte.
 Den 24sten September 1673 huwde hij met Rebecca, dochter van Mozes Hammelburg. Uit dit huwelijk had hij vier zonen en even zooveel dochters, die allen met Hoogduitsche vrouwen en mannen getrouwd waren en op de begraafplaatsen der Hoogduitsche Joden zijn begraven. Hieruit blijkt dus wel, dat ze zichzelf tot die gemeente rekenden.
  Een zoon [9] en dochter daarentegen uit het tweede huwelijk met Gracia Campos zijn evenals hun moeder, die eene Sephardische was, op Ouderkerk begraven.
  Abraham Italiaander zelf heeft nooit te Nijkerk gewoond, want zoowel bij het sluiten van het eerste huwelijk als van het tweede op den 21sten Mei 1688 woonde hij te Amsterdam, waar hij in het jaar 1700 overleden is.
  Zijn zonen zetten na zijn dood den tabakshandel voort. Mordechai, Jacob, Benjamin en Isaak ltaliaander stonden aan het hoofd von groote handelshuizen. Omstreeks 1709 vestigden Mordechai en Jacob zich te Nijkerk. Door hun komst met een groote schare familieleden en personeel werd het aantal Joden daar sterk vemeerderd. Met hen begint een tijdperk van bloei zoowel voor den tabakshandel als voor de Joodsche gemeente te Nijkerk.
  Uit dezen tijd bestaan nog enkele aanzienlijke koopmanshuizen en een paar groote pakhuizen ongeveer in 1725 door van Rees en Italiaander gebouwd. In een van deze pakhuizen was de kerk gevestigd. Deze schijnt ongeveer in 1728 als zoodanig door hen te zijn ingericht. ln de Kwartiersrecessen vinden we in het plakkaat van 28 October 1728 over de tolorantie der Joden te Nijkerk, dat het gebouw geen „uyterlijke forme van kerkelijk gebouw gegeven mag worden en, „van buyten niet van andere gemeene Huysen sijn te onderscheiden”.
  De straat, die thans Nieuwstraat heet, was in 1739 Jodenbreestraat genaamd. Als pachters van de Waag, vinden we in 1725 de Wed. Mordechai Italiaander, in 1731 Alexander van Rees, 1732 en 1733 Jacob van Italiaander.Toch is het niet altijd botertje tot den boom, want nu en dan steekt de naijver den kop op. Het blijkt uit de Resolutie van 3 October 1736 „des naemiddaghs. Op requeste van sommige ingezetenen aangaande de Waagmeester hebben haar Hoogwelgeboren goedgevonden het selve te stellen in handen van den Paghter van de Waagh Alexander van Rees om haar op binnen vier en twintigh uren te dienen van berigt”. Dan dadelijk „4 October des voormiddaghs. Eenige ingesetenen van het requeste omtrent de waagmeester gehoort daer over met den waagmeester ind breede gesproken.” – „5 October. Op requeste van eenige toebaxplanters alhier versoekende redres over nieuwigheden dies susteneerden door Alexander van Rees paghter van de Waagh ingevoert te syn, soo omtrent de kortinge aan den uytslagh van de Toeback, als ook de persoon die deselve weegt, alles breder in voorn. requeste vervat, hetwelcke gesteld synde in handen van voorn. van Rees ter fine van berigt, wahruyt Haer Hoogwelgeboren klaer gebleken is, dat geen de minste nieuwigheeden in deesen syn ingevoert maar dat sedert onverdenkelycke jaeren op dezelfde voet als tegenwoordigh gepractiseerd is geworden hebben Haer Hoogwelgeboren het versogt in dezen afgeslagen.”

  Terwijl den Joden verboden was, op het platteland van Gelderland te wonen, werden ze te Nijkerk, dat toen ook tot het platteland gerekend werd, niet alleen geduld maar ook beschermd en genoten ze er persoonlijke en handelsvrijheden 6).
 Uit deze en de volgende Resolutie blijkt duidelijk de gezindheid der Ambtjonkers ten hunnen opzichte: „12 Decembel 1726. Van Rees en Jacob Italiaander hebben verzocht binnen te staan (d.w.z. in de vergadering der Ambtsjonkers) 't geen toegestaan is.
 Van Rees, doende 't woord heeft geklaagt over de schippers, dat deselve niet wilden lossen in 't lJ den tabak en dat zulks altoos onder protest en met moeite deden, alsmede bewees, dat de Amsterdammer zulks werkelijk geweygerd had, verzoekende redres. 
 Vorders dat een straat mogte gemaakt worden van den Koetsendijk (de verbindingsweg van de haven naar de Jodenbreestraat) waartoe hij Maas van Dempseler en Aalt de metseler zoude teven 150 gl. zullende daartoe hooren 50 gl. arbeidsloon en 60 last steen, 't last op 4 gl. gerekent is f 240. zijnde samen 290 gl. en doordien 't Ampt de vragt enz. van zant als steen aan haer had, dat sulks wel voor 300 gl. konde gemaakt worden, 't geen hij versogt.”
 Den volgenden dag stonden de Ambtsjonkers 150 gl. voor het voorgestelde werk toe. Verder beloofden de schippers „in 't vervolg voor klagten zorge te draagen”, hetgeen toen beteekende, dat ze klachten zouden zien te voorkomen 6).

 Intusschen was in de tweede helft der 18e eeuw het bloeitijdperk van den tabaksbouw voorbij. De familie Italiaander was in getalsterkte achteruitgegaan terwijl het aantal Joden, dat den Hoogduitschen ritus in hunne gebeden volgde, toegenomen was. Het gevolg was, dat het aantal van beide partijen zoo ongeveer gelijk geworden was.
  Dit gaf aanleiding tot ontevredenheid en geschillen. De Hoogduitsche Joden wenschten nu niet langer den Portugeeschen ritus, waarop ze weinig gesteld waren, te volgen. Ze gingen hun eigen godsdienstoefeningen houden en hielden hunne samenkomsten op een zolder. Daarom verzocht Jacob Markus in 1761 voor de Hoogduitsche Joden een huis tot kerk te mogen inrichten, evenals dat voor de Portugeesche Joden geoorloofd was.
  Toch duurde het nog tot 1801, voor ze hun eigen kerkgebouw konden inwijden. Dit werd grootendeels geschonken door Salomon Nihom, die voorzitter der Hollandsch Joodsche gemeente was. De strijd, die nu tusschen beide gemeenten werd gevoerd en waarvan door van Zuiden de oorspronkelijke briefwisseling werd medegedeeld, eindige daarmede, dat de zoogenaamde Portugeesche gemeente ophield als zelfstandige gemeente te bestaan. Doch eerst in 1847 is de overgang geheel tot stand gekomen. Het kerkgebouw dezer gemeente is toen gedeeltelijk tot schoolgebouw en gedeeltelijk tot vergaderzaal ingericht. Het ameublement der kerk is naar Barneveld gebracht toen daar een synagoge gesticht is 7).
  Het honderdjarig bestaan van de kerk der vereenigde gemeenten werd den 31sten Mei 1901 feestelijk gevierd. Er was een plechtige kerkdienst, waarbij Opperrabbijn L. Wagenaar in een indrukwekkende rede deze voor Nijkerk zoo belangrijke gebeurtenis herdacht.

1) Nederl. Archief voor Kerkgeschiedenis 1922.
2) Mededeeling van den heer G. Beernik aan mij.
3) G. Beernik, Nijkerk voor twee eeuwen.
4) Van Bemmel, Beschrijving der stad Amersfoort.
5) „Soo nochtans dat bij provisie er tot naedere dispositie binnen de Vest var Nijkerk, sullen worden getolereert sodanige Joden of Smoussen, die ardaer handelen en arbeiden in de Negotie van den Toeback en 't spinnen en toebereiden van deselve” uit: (het algemeen-Gelderse) Placaet (van 28 October 1726), dienende tot elucidatie en interpretatie van het Placaet van den 21. May 1726. Over het niet mogen wonen en vernachten van Joden ten platten Lande. Zie: Groot Gelders Placaet-boek III, 441.
6) Van Zuiden, l.c.
7) Mededeeling van den heer S. Hamburger.

Mijn aantekeningen:

[1] Toch was er al in 1636 een “Portugies” die tabak verbouwde in Nijkerk, en wordt een “Pieter Caesar Italiaan” genoemd. Deze Pieter Caesar schijnt uit Harderwijk naar Nijkerk te zijn gekomen, en heeft in 1650 de begraafplaats aangekocht. Ook was hij de eigenaar van het "Huis met de Bijenkorf", waar de eerste huissynagoge was. (Bron?)
[2] Volgens J.G. Van Dillen berust dit op legendevorming.
[3] Abraham “Italiaender” Levi Vitoria was van Portugeesche afkomst, en hoewel zijn eerste vrouw -de moeder van de Nijkerkse Italiaanders- een Hoogduitse was, volgden de Italiaanders toch ook in Nijkerk de Portugeesche traditie. (Een andere tak van de familie vestigde zich in Denemarken, waar ze in Copenhagen een eigen synagoge stichtten volgens Portugeesche ritus)
[4] Via Italië naar Nederland gekomen, maar van Portugeesche oorsprong.
[5] Vitoria
[6] Misschien omdat hij met een Hoogduitse was getrouwd?
[7] Wellicht bedoelt de schrijver de gemeente Beth Jahacob, wiens Hakhamim uit/via Italië waren gekomen? Maar die gemeente bestond al lang niet meer in 1660.
[8] Honen Dalim
[9] Josuah Levy Vitoria

Huis met de Bijenkorf
 

Saturday, November 3, 2012

Portugeesche Joden in Haarlem


Reeds in het jaar 1781 bezaten zij er een eigen synagoge

 
WANNEER wij naar aanleiding van het honderdjarig bestaan der synagoge te Haarlem een blik werpen in de geschiedenis van de vestiging der Joden aldaar, mag daarbij het feit niet onvermeld blijven, dat er reeds lang vóór het tot stand komen "van een gemeenteverband in deze stad -r-waarvoor men gevoeglijk het jaar 1765 kan aanwijzen  sprake geweest is van het stichten eener Joodsche gemeenschap. Wordt ons als eerste belangrijke figuur in de Hoogduitsche kringen Israël Isacks genoemd, die in het jaar 1756 verzoekt godsdienstoefeningen te mogen houden tijdens de jaarlijksche kermis, vóór hem waren, reeds meer dan honderd jaar geleden, pogingen aangewend om te geraken tot stichting van een Joodsche gemeente. Het zijn de Portugéesche Joden geweest, die het eerst een verzoek tot vestiging hebben ter hand gesteld aan de overheid. Hoe is dit geschied en wat was de aanleiding hiertoe?

 Men moet hiervoor teruggaan tot de komst der Portugéesche kooplieden in Holland. Het is een feit, dat zich ook buiten Amsterdam Portugéesche zakenlieden hebben gevestigd; de redenen, die hen daarheen voerden, zullen van verschillenden aard geweest zijn, doch het blijkt uit vele bronnen, dat zij onder meer te Rotterdam, Nijkerk, Amersfoort en Alkmaar hun verblijf hebben gehad.

 In 1605....

 En zoo ontvingen in den aanvang van het jaar 1605 Burgemeester en Schepenen van Haarem een request van „eenige Coopluyden uyt Portugal, genaemt Joden, tegenwoordig te Amsterdam wonende, die alhier wel zouden begeeren te komen wonen en nog tot hun diversche Familien tegenwoordig in Portugal, Turkyen en Italien wonende, en sijnde alle treflijke coopluyden, brengen en ontbieden, zo zij luyden met vrije openbare executie van hun lieder religie en leere in de Synagoge mochten leven, als hun in Italien en Duytschland toegelaten werd en ook eenige van hen te Alkmaar wonende is geaccordeerd". Het waren de zakenlieden Belchior en Francisco Mendes (zij worden ook als Abraham en Isaac Franco genoemd) en Michiel de Castro (andere naam Michael Nehemie), die zich in genoemde bewoordingen tot de Overheid wenden. Burgemeesteren van Haarlem wenschten evenwel nog niet aanstonds hieromtrent te beslissen, doch eerst de goedgunstige beschikking der Vroedschap te verkrijgen. Het oordeel van de Vroedschap, gesteld in niet afwijzende, doch voorzichtige bewoordingen, luidde als volgt: „daer in veel te bedenken stond, alzo's Stads welvaren door de handel en neeringe van Coopluyden wel dient gevordert, maer dat in deese gelegentheid van tijde kwalijk, en niet zonder groote opspraek van de Roomschgezinden of Catholyken, de vrije executie van de Religie der Joden zoude konnen geaccordeert worden. Is bij de meeste stemmen voor goet ingezien, dat Burgemeesteren de Coopluyden, dit verzoek doende, hooren en hen alle vrijheid in de conscientie en 't beleven huns geloofs presenteren en accorderen zullen als andere ingezetenen, zonder bij acte of resolutie te consenteren de openbare Sienagoge, voordat

op dezen bij de vroedschap nader zal zijn gelet en geresolveerd".

Wel begreep men, dat het opnemen dezer menschen in de stad zijn beteekenis kon hebben voor de welvaart, doch wat men den een toestond kon den ander niet geweigerd worden: ook den Katholieken zou dan meer vrijheid moeten worden toegestaan. Tegen de vestiging op zichzelf bestonden eigenlijk geen bezwaren, tegenhet openlijk belijden der religie daarentegen wel, vandaar dat men na de eerste besprekingen met bovenvermelde requestranten wel vrijheid van geloof toezeggen wilde, doch een openbaar Godshuis weigerde, met welk besluit de Portugéesche Joden zich niet konden vereenigen.

 Wat hun werd toegestaan

 Men won advies in bij den Heer Advocaat Van Oldebarneveldt en bovendien bij den „Dienaer des woords” Joannes Uyten Bogaert en eenige andere „Dienaren” in dezelfde stad. Op 10 November 1605 kwam een definitieve overeenkomst tot stand tusschen Portugéesche Joden, waarin gezegd wordt, dat zij konden vertrouwen op onbeperkte godsdienstvrijheid, doch op voorwaarde, dat minstens vijftig van heure familien wesende luyden van forte aansien ende vermogen” zich kwamen vestigen. Zij moesten dan daarbij overleggen een behoorlijk blyk ende bescheyt van den Parnacim en de Memoenim ofte principalen" van de gemeente of plaats, vanwaar zij zouden komen, ten bewijze dat zij zijn luyden met eere, ende van goeden handel en wandel”. Ze mochten een synagoge bouwen en grond ter bestemming voor een begraafplaats koopen „ende voorts heure religie en geloof vrij beleven”. Wat de vrijheid van handeldrijven aangaat, dit blijkt uit de volgende passage: „Is bij Burgemeesterén endö Regeerders voors. die van de voors. hebreeusche natiën toegelaten ende geaccordeert dat zij met heure huysgesinnen en familien binnen Haarlem zullen mogen comen wonen, ende heur aldaar generen met alderley coopmanschappen, manufacturen ende handelinge met open ofte besloten deuren ende winckelen near hun believen, ende mede genyeten alsulcke vrijheyt, gratie, privilegiën, exemptien, ende gerechticheyden als alle andere borgeren, poorteren ende ingesetenen derselver stede”.

Zooals de historicus J. S. da Silva schrijft in zijn bijdrage omtrent de pogingen tot vestiging van Portugeesche Joden te Haarlem is het, na de verkregen toestemming, toch niet tot een vestiging gekomen, althans niet in den zin van een gemeente. Wat ertoe heeft geleid, dat men een verzoek heeft ingediend en na verworven sanctie daarvan gebruik maakte, is niet met zekerheid te zeggen. Of de eisch van minstens 50 gezinnen te hoog werd beschouwd blijft een open vraag, omdat in dien tijd nog steeds families in Holland gekomen zijn en het wel degelijk mogelijk zal zijn geweest om met een aantal gezinnen als verlangd was, daarheen te verhuizen. Misschien hebben de genoemde personen elders eveneens hetzelfde verzoek ingediend en verkregen zij aldaar eerder een bevredigend antwoord, zoodat ze de goedkeuring van Haarlem niet meer behoefden. Hoe het ook zij, van een vestiging omstreeks dien tijd (1605) is niets gekomen. Ook later nog, in 1634, bleef een aanbieding van Portugeesche Joden om met tien getouwen naar Haarlem te komen om „de Draperye van de Segovische wolle te exerceeren” zonder resultaat. In het Memoriaal van de Resolutiën van Heeren Burgemeesteren vond ik nog, dat in 1660 wederom besprekingen met „die van de Joodsche natie” zouden worden gevoerd tot het „transporteeren hunner woonplaats” naar hier, maar het is niet zeker of dit betrekking heeft op Sephardische of Asjkenasische Joden. Toch schijnt er in lateren tijd wel een kleine Portugeesche Joodsche gemeenschap te hebben bestaan, gelijk dit ook in andere steden het geval was.

Een aantal decennia geleden ontdekte de heer M. Henriques Pimentel te 's Gravenhage een manuscript, in het bezit van een particulier, dat tot titel droeg „Escavoth do K. K. „Migdal David" em Haerlem na quinta do Sr. Elisah H. de Castro, eregodo por seu avo o B. A. Sr. David Henriques de Castro. D. G. M." (Zielsgebeden van de gemeente „Migdal David" te Haarlem op het landgoed van den heer Elisah H. de Castro, opgericht door zijn grootvader, den heer David Henriques de Castro, zaliger gedachtenis). Genoemde heer Pimentel vermoedde, dat deze vondst van beteekenis was en stelde zich in verbinding met den toenmaligen bibliothecaris der Portugéesche gemeente in Amsterdam, den heer D. Montezinos, die nadere gegevens vermocht te vinden, waardoor omtrent dit feit wat meerlicht kon worden verspreid.

 De eerste synagoge

 In het jaar 5540 (1781) blijkt door twee broeders, Mozes en Isaac, zoons van David Henriques de Castro, een Synagoge gesticht te zijn. Waarschijnlijk ter eere van hun vader gaven zij dit bedehuis den naam van „Migdal David". Ook hier ontwaren wij een particuliere synagoge, zich bevindend op een landgoed, waaruit men mag afleiden, dat David de Castro een welgesteld man kon heeten. Jammer genoeg heb ik tot dusverre niets kunnen ontdekken over de plaats, waar deze „Makom Kadosh" zich bevonden heeft, doch ik mag wel veronderstellen, dat deze niet in het oudste inwendige stadsgedeelte van Haarlem, doch wat meer aan den buitenkant der stad moet zijn geweest, alwaar men buitenverblijven aantrof. In 5561 (1802) vond een bijzonder feit in dit bedehuis plaats:

Op Vrijdag 22 Tamoez werd daar het huwelijk voltrokken tusschen één der stichters, Isaac, met Hava van Nathan Palache. (Een zeer vreemde datum, echter niet onmogelijk in uitzonderingsgevallen en in een kleine afgelegen synagoge als deze wel aannemelijk). De rabbijn, die het huwelijk inzegende, was de bekende Chacham Daniel aCohen d'Azevedo van Amsterdam, terwijl als voorlezer fungeerde een zekere Joseph Jessurun Pinto. In een gedichtenverzameling van Franco, die zich in de bibliotheek van „Ets Haim" te Amsterdam bevindt en waarin een gedicht op dit huwelijk is te vinden, treffen wij ook een door hem vervaardigd gezang aan ter gelegenheid van de eerste Simchat Thora-viering in de Synagoge te Haarlem, waarbij Samuel Levi Ximenes Chatan Thora en Abraham Mendes da Costa Chatan Beresjiet was.

Door deze historische gebeurtenissen en opteekeningen wordt de authenticiteit van het bewuste manuscript bewezen. Het bevat een menigte namen van achtenswaardige Portugéesche families uit die dagen zooals Pinedo da Silva Capadoce, Cohen Caminha, Coronel Belmonte, Pereira de Ponte, Azevedo Athias, Abohab de Paz, Suasso de Pinto, Namias de Castro, Rodrigues Constantina, Lopes Colasso, Buzaglo de Paz, Aletrino Chaves, Souza Gareia, Franco Mendes de Sola en nog vele anderen van de Sephardische gemeente in Amsterdam, waaruit kan worden geconcludeerd, dat het verband met de families in de hoofdstad, ondanks den afstand, even sterk gebleven was.

Zoo staat dus vast, dat Portugéesche Joden zich reeds vóór 1781 in Haarlem ophielden, en er sinds dat jaar een bedehuis bezaten, dat niet onaanzienlijk en van genoegzame beteekenis-geacht mocht worden. Door de groote financieele draagkracht van de kleine gemeenschap kon deze synagoge geheel uit eigen middelen bekostigd en onderhouden worden naar we mogen veronderstellen. In 't handschrift treffen we voorts nog vrij hooge contributies aan zonder dat men aan steun van Overheidswege behoefde te denken. Vandaar dan ook, dat in de officieele acten en de Memorialen van den Raad van Haarlem niets omtrent een synagoge der Portugéesche Joden vermeld wordt.

Niettemin is het bestaan door de verschillende geschiedkundige gegevens bevestigd. Het leek mij daarom alleszins de moeite waard om dit feit aan de vergetelheid te ontrukken.

 

 door
Giacomo Aletrino

 

Thursday, November 1, 2012

De Synagoge „Ahawath Hesed” (Ahabath Hesed)


Men schrijft ons:

Verscholen tusschen de hooge huizen van het stadsdeel Oost, staat de synagoge van de Portugeesch-lsraëlietische Gebroederschap „Ahawath Hesed".
Veele Amsterdammers weten dat zij bestaat, maar nog veel meer en zeker de geloofsgenooten in de provincies, weten dit niet. Voor hen bestaat alleen de beroemde „Snoge" op het J. D. Meijerplein. Deze synagoge echter is geen majestueus gebouw; zij wordt niet, zooals haar moeder-synagoge, omringd door een reeks van gebouwen, waarin Rabbinaat, vergaderzaal Seminarium enz. gevestigd zijn, maar ze staat in den „tuin" van een blok huizen in de Blasiusstraat, een buurt, waar in de goede dagen van 1900 de Joodsche middenstand woonde.
De geschiedenis van deze synagoge is niet heel oud. Zij gaat terug naar den tijd, toen de Joden uit het ghetto trokken, om zich in het „nieuwe Oost" te vestigen. Er ontstonden in deze wijk de bedehuizen van „Ahawath Achim", een Hoogduitsche synagoge, en „Kehillas-Ja'acov", een Russische gewrah.
Bij den Portugeeschen Jood I. Querido, die in „het jaar" was, werd, omdat de afstand naar het J. D. Meyerplein te groot was, dagelijks thuis gelezen. Zoo ontstond er een gebroederschap, welke eerst bij de leden thuis diensten hield, want ook de Sefardiem hadden zich in grooten getale in Oost gevestigd, en later tot den bouw van een bescheiden bedehuis overging. Men prefereerde nu eenmaal, op Shabbat weinig te loopen, en daar de „Snoge" uit de buurt lag, mocht de vereeniging het genoegen smaken, dat haar bedehuis, wegens druk bezoek, eenmaal vergroot werd.
Men bereikt de synagoge dan, wanneer men een gang van het perceel Blasiusstraat 46 heeft doorgeloopen. Het intérieur is zeer eenvoudig. Als eenig fraai ornament valt het Hechal den bezoeker op. Zij biedt plaats voor 60 personen. De diensten, welke op Shabbat, feest- en vastendagen worden gehouden, zijn gelijk de ritus, welke in de groote „Snoge
wordt gevolgd. Het reglement zegt in artikel 2: „De godsdienstoefeningen moeten geheel volgens den Portugeeschen ritus worden gehouden, zonder eenige verandering".
Inderdaad is alles in deze „Snoge" 100% Sefardisch. Er zijn twee voorlezers, die om beurten, geheel belangloos, in het gebed voorgaan. Tot de trouwe bezoekers behooren ook „Ashkenazim", die uit West-Indië afkomstig zijn en die, ofschoon zij lid zijn van de Hoofdsynagoge, de Portugeesche ritus volgen, omdat deze aldaar de eenige is. De leden
hebben het recht, hun zoons te laten „subieren". Ook niet-leden kunnen hun zoons daar „Bar mitswah" laten worden, echter moeten zij minstens ƒ 2.-, desverlangd per vooruitbetaling, ten bate van de vereeniging, offeren. leder lid heeft het recht, dat gedurende een rouwjaar van een familielid, het gebed voor de zielerust wordt uitgesproken. Het bestuur, dat uit zeven personen bestaat, waarvan één Hoogduitsch, wordt gekozen voor den tijd van 3 jaar. De eenige betaalde beambte is de bode. Het bestuur is verplicht, de leden op behoorlijke wijze de tijdsveranderingen van den aanvang van de godsdienstoefeningen mede te deelen.

 De minder gunstige tijdsomstandigheden hebben veroorzaakt, dat de inkomsten van de gebroederschap gedaald zijn. Daar de onkosten tamelijk hoog zijn, is dit zeer te betreuren. Immers, huur, licht, verwarming, moeten door de vereeniging zelf, daar ze geen subsidie van de Portugeesche Gemeente ontvangt, betaald worden. Het zou toe te juichen zijn, dat de Portugeesche Joden uit Zuid, voor wie de afstand naar de Snoge wel wat groot is, de kleine „snoge" zouden bezoeken. Zij zullen hiermede de vereeniging bewijzen, dat de liefde voor de Joodsche eeredienst onverflauwd is en dat het ideaal van de stichters „Thora wa Awodah" ook voor de toekomst gewaarborgd zal blijven.

 Uit NIW 8 FEBRUARI 1935 . 5 ADAR I 5695 .70e JAARGANG No. 40

Het Hekhal uit deze Snoge kam uit de Snoge van Maarssen, die in 1839 afgebroken werd. Als iemand weet wat ermee gebeurd is, laat het me aub weten!

Sunday, April 15, 2012

The Sephardic Jews of Bordeaux by Frances Malino

I was reading this book over sabbá. She brings some interesting data, but the very beginning of her analysis is so wrong, that I feel like putting the book down. It is evident that the writer is completely clueless about Judaism and Jewish identity (especially the Sephardic variant)

First she keeps asking a question that looks like a joke to me, she wonders why they decided to establish a Jewish community.(!!!) "why the marchands Portugais chose to emerge as Jews and to establish such a community" She starts her answer with "The explanation is not a simple one".
I am pretty sure any of you could answer that question with a simple answer comprised of one very short sentence.

Then she starts analysing the level of "commitment to Judaism", and does this basically by comparing it to Ashkenazi communities. She describes a typical Western Sephardic community -although it lacked the intellectual activity of the Amsterdam, Venice and Leghorn communities- with Jewish institutions, synagogues, schools, kasher butchers, shabbath observance, etc.

But -don't laugh! this is a serious work by a scholar!- they "'replaced' Yiddish with Spanish" and "introduced French and arithmetic into the curriculum".

The Sephardic Jews of Bordeaux on Questia